dinsdag 26 mei 2015

Moet ik een leraar hebben?

Door: Edel Maex

Waarom is het toch altijd zo moeilijk? Twee minuten voor ik de deur uitga om in onze zengroep een toespraak te houden over de vraag: ‘Moet je een leraar hebben?’ kijk ik, uit pure verslaving, nog even op het Boeddhistisch Dagblad en ik lees de open brief van enkele vipassanaleraren over het seksuele wangedrag van hun leraar. Actueler kan dus niet.

Het is een onderwerp waarover ik de voorbije maanden met veel mensen van gedachten gewisseld heb. Moet je een leraar hebben? En wat maakt iemand dan leraar? En wat maakt dat onderwerp dan zo gevoelig?

Op een manier is de vraag de moeite van het stellen niet waard. Als ik iets wil leren is het interessant om iemand te hebben die mij dat kan leren. Als ik appeltaart wil leren bakken kan ik iemand het recept vragen. Dan wordt die persoon mijn appeltaarleraar. Daarmee kan ik het uiteraard nog niet. Ik zal het mezelf vervolgens eigen moeten maken. Dat kan niemand in mijn plaats doen.

Waarom is dat in zen, en overal waar het over religie of spiritualiteit gaat, zoveel moeilijker? Spiritualiteit en religie zijn uiteraard veel kwetsbaarder dan appeltaart. Ik ken, behalve verliefdheid, niets wat iemand zo diep kan raken. Niet voor niets is in de minnemystiek de verliefdheid de ultieme metafoor voor de mystieke ervaring.

Er is ook niets wat iemand zo uit de bol kan doen gaan en alle redelijkheid en controle doen verliezen. Hadewychs brieven aan haar medezusters staan vol waarschuwingen. Het is een materie om met grote voorzichtigheid en respect te benaderen. ‘Fools rush in where angels fear to thread’, schreef een andere mysticus, William Blake.

Maar van waar het ‘moeten’ in de vraag? Ik kan mij voorstellen dat iemand graag appeltaart wil leren maken, maar ik heb nog nooit iemand ontmoet die vond dat hij appeltaart ‘moest’ kunnen maken.

In mijn werk als psychiater word ik dagelijks met ‘moeten’ geconfronteerd. Mensen die vinden dat ze moeten veranderen. Ik moet meer voor mezelf opkomen, minder negatieve gevoelens hebben, niet zo afhankelijk zijn van het oordeel van anderen … Mensen die het daarenboven maar normaal vinden dat iemand anders hen dat zegt. ‘Moet ik in therapie?’

De wereld van de psychotherapie zit vol moetens. Het vindt zijn oorsprong in de Freudiaanse psychoanalyse die eind 19de eeuw startte als een behandeling voor neurologische aandoeningen maar in de 20ste eeuw snel evolueerde naar een persoonlijkheidstheorie met een bijbehorend ideaalbeeld van de ‘gezonde’ persoonlijkheid, een ideaalbeeld waaraan geen mens kan voldoen. Het beeld van de mens die zijn blinde vlekken doorzien en geïntegreerd heeft, wiens libido ongehinderd en vrij door zijn lichaam stroomt, die autonoom zijn eigen beslissingen neemt.

Prompt is ieder van ons gestoord, neurotisch. Het erge is dat als we lijden, dat we dan denken dat het daar dus aan ligt. Als we maar aan dat bovenmenselijk ideaal konden beantwoorden, dan zouden we niet langer lijden. Wat is er toch mis met mij?

Lijden is onze condition humaine. Het is geen persoonlijk falen. Het leven houdt zich nu eenmaal niet altijd aan onze verwachtingen. Lijden vraagt zo mogelijk om een oplossing, indien niet mogelijk om een wijs omgaan met de onvermijdelijkheid ervan. Als we lijden gaan zien als een persoonlijk tekortschieten, zetten we onszelf in een uitzichtloze, machteloze, hopeloze positie.

In dat klimaat is het boeddhisme het Westen binnengekomen, met een nieuw ideaalbeeld, dat van de verlichting. Wat is het resultaat van een chemische reactie tussen een mateloos gevoel van tekortschieten en een onbereikbaar ideaal dat raakt aan het meest kwetsbare in ons? We herkennen bij een leraar iets waar we ten diepste naar verlangen. Prompt denken we dat we de bron van ons mateloos tekortschieten gevonden hebben en dat die leraar dat ideaal wel bereikt heeft… en we zijn verloren.

Een mooi Freudiaans woord voor een kenmerk van de verliefdheid is ‘Sexualüberschatzung’. Als je zelf verliefd bent, heb je dat niet door. Als iemand op jou verliefd wordt, waar je zelf niet van moet hebben, valt het meteen op. Wat ziet die in mij? Als je allebei verliefd bent ontstaat er iets ongelooflijk heerlijks tot …. tot de werkelijkheid zich weer aandient. Dan wordt het een zaak van elkaar weer als kwetsbare onvolmaakte mensen leren zien.

Hetzelfde kan gebeuren met een leraar. Het boeddhisme leent er zich ook een beetje toe. Door de afwezigheid van een God komt het hele gewicht op de leraar te liggen. In China of Japan wordt de abt van een klooster inderdaad symbolisch gezien als de levende belichaming van de Boeddha, doorheen een ononderbroken transmissie. Maar zoals een parochiaan hier vroeger wel doorhad dat de pastoor in het beste geval een brave mens was, maar zeker geen heilige, zo heeft de gemiddelde Aziaat door dat de abt wel symbolisch de Boeddha is, maar daarom nog niet verlicht.

Wat een kick moet het geweest zijn voor sommige Aziatische leraren, als ze tot de ontdekking kwamen dat hun studenten hen daadwerkelijk als verlicht zagen. Je zou het in navolging van Freud ‘Spiritualüberschatzung’ kunnen noemen. In de biografie van Shunryu Suzuki lezen we over de ontgoocheling van de Amerikaanse studenten die naar Japan trokken en merkten dat hun gevierde leraar daar niet als een grote verlichte meester gezien werd, maar als een onbetekenende plattelandspriester, met als bijnaam ‘kromme komkommer’. De verbijstering was totaal toen Suzuki kort voor zijn dood transmissie gaf aan Richard Baker, die wel een goede organisator was, maar die niemand kon zien als ‘verlicht’.

Maar een echte leraar kan toch mijn blinde vlekken aanwijzen, zei mij iemand onlangs nog. Natuurlijk kan hij dat. Iedereen die andere blinde vlekken heeft dan ik, kan blinde vlekken bij mij zien, en omgekeerd. Gewoon omdat we vanuit een ander gezichtspunt kijken. Dat is altijd leerrijk. Maar het is een wederzijds en algemeen fenomeen en niet specifiek voor de relatie tussen leerling en leraar.

Als het geen kwestie van moeten is, wat is het dan wel? Het is een kwestie van verlangen. Verlangen heeft een slechte pers. We hebben meer vertrouwen in moeten dan in verlangen. Maar als ik met mensen praat over wat ze echt verlangen, diep in hun hart, komen we steeds uit bij menselijke goedheid en schoonheid.

Het verlangen om iets te leren maakt de leraar. Of het nu een verlangen is naar appeltaart of een spiritueel verlangen, het is het verlangen van de leerling die de leraar leraar maakt en niet een instituut of transmissie of een andere autoriteit.

Maar, wierp iemand op, niet iedereen kan zich toch ook niet zomaar arts noemen. Daar is toch een speciale erkenning voor vereist. Is dat voor een leraar dan ook niet zo? Het is een interessante vergelijking. Een arts heeft veel kennis en expertise nodig om bij voorbeeld het juiste antibioticum voor te schrijven. Dat is duidelijk. Maar is onze spirituele weg iets wat ons moet voorgeschreven worden, of is het een pad dat we zelf kiezen vanuit ons eigen verlangen?

Vaak beginnen mensen met meditatie of met een andere praktijk tijdens crisisperiodes in hun leven. Dan zijn we bijzonder kwetsbaar. Als we dan, diep en authentiek geraakt, de leraar gaan overschatten brengen we onszelf in gevaar. Als de leraar dan al onze twijfels en wat er nog overblijft van onze kritische blik en ons gezond verstand, gaat duiden als ‘vasthouden aan het ego’ of ‘nog niet tot volledige overgave kunnen komen’, is de vicieuze cirkel rond.

Ik heb meegemaakt dat iemand die de mindfulnesstraining gevolgd had, bij een boeddhistische leraar terecht kwam. De meditatiebeoefening had hem diep geraakt en hij wilde op die weg verder gaan. Daar kreeg hij te horen: ‘Dit gaat veel dieper dan mindfulness. Ik kan je helpen, maar je moet wel exact doen wat ik je zeg’. Na enkele moeilijke maanden veranderde die boodschap in: ‘Je hebt toch te veel psychologische blokkades. Je zult eerst in therapie moeten’. Kun je je voorstellen hoe je dan door de grond gaat? Misschien kun je je ook voorstellen hoe ik door de grond ging toen ik dit verhaal hoorde, zeker als je beseft dat mindfulness helemaal draait rond mildheid, respect en waardigheid.

In de brief van de vipassanaleraren wordt gesproken over een ethische code voor leraren. Dat is zonder twijfel van groot belang. Maar als we de leerling alleen maar als slachtoffer zien, lopen we het risico de leerling alweer te infantiliseren. Waarom geen gedragscode voor leerlingen? Code is hier zeker een verkeerd woord. Misschien beter aanwijzingen of richtlijnen of waarschuwingen. Hoe kunnen we de leerling helpen om, zeker in heel kwetsbare ogenblikken, weerbaar te blijven?

Daarom zou ik wat we hier besproken hebben, willen samenvatten in vier algemene aandachtspunten voor de leerling:
  1. Wees er van bewust dat religie/spiritualiteit een bijzonder kwetsbare materie is.
  2. Het is het verlangen van de leerling dat de leraar maakt en niet omgekeerd.
  3. Overschat de leraar niet, maar laat je ook niet tegenhouden om te leren van iemand die niet perfect is. 
  4. Hou ten allen tijde de verantwoordelijkheid voor je eigen autonomie en integriteit.
Ik ben er van overtuigd dat een bona fide leraar daar alleen maar blij mee kan zijn.

Bron: Leven in de maalstroom




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen